Voorlopige voorziening rond bestemmingsplan voor vergister in Tzummarum opgeheven
De gemeenteraad stelt in het besluit van 21 mei 2026 dat de verruimingsmogelijkheden in het bestemmingsplan past binnen een goede ruimtelijke ordening. Omwonenden van de vergister betogen dat dit niet het geval is. Zij vrezen voor overlast. De procedure over opheffing van de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening leent zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van deze standpunten, stelt de Raad van State. Daarom bevat de uitspraak van 22 september geen voorlopig inhoudelijk oordeel geven over de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
De eigenaar van de vergister heeft zijn belang bij opheffing van de voorlopige voorziening toegelicht. Hij stelt belang te hebben bij het kunnen starten met het vergisten van mest en co-producten tot een maximum van 100.000 ton per jaar. Hij heeft fors geïnvesteerd met eigen kapitaal om over te kunnen schakelen van fossiele brandstoffen naar duurzaam opgewekte energie. Er zijn op korte termijn vervolginvesteringen nodig hij niet zelf kan financieren. Hiertoe is de bank bereid, maar alleen als het plan in werking treedt.
De ondernemer heeft toegelicht dat het voortbestaan van zijn bedrijf zonder de benodigde financiering van de bank in gevaar komt. Hiertegenover staat het belang van omwonenden, zoals door hen op de zitting is toegelicht, om te voorkomen dat zij overlast van geur en verkeer ondervinden. De rechter vindt het belang van de ondernemer bij opheffing zwaarder wegen dan de belangen van de bezwaarmakers.
Meer details zijn te vinden in de uitspraak van de Raad van State.