Hoe zit het met monomestvergisting en stikstof?

Er is veel aandacht voor monomestvergisting: naast de productie van biogas en een reductie van de broeikasgasemissies wordt het ook als een oplossing gepresenteerd voor het stikstofprobleem. Maar hoe zit dat, is dat werkelijk zo? Conclusie is dat vergisting het risico op ammoniakemissie bij het mest aanwenden en uit mestopslagen eerder vergroot dan verkleint. Om werkelijk stikstof te reduceren is een combinatie met de juiste mestbehandeling of -verwerking nodig.

Samenvattend

  • Hoewel onderzoeksresultaten wisselende emissies laten zien, is de conclusie dat ammoniakemissie uit digestaat hoger is dan uit niet vergiste mest.
  • Ook uit opslagen is de emissie uit onbewerkt digestaat hoger wanneer dit onvoldoende emissiearm gebeurt (zoals onder roostervloeren in stallen).
  • Hieraan ten grondslag liggen het hogere gehalte ammonium (TAN) en de hogere zuurgraad (pH).
  • Mestvergisting is indirect wel een stimulans voor veehouders om in de stallen maatregelen te nemen die leiden tot minder ammoniakemissie.
  • Door het digestaat verder te behandelen of verwerken kan de emissie juist dalen, mits dit op de juiste manier gebeurt. Hiervoor zijn drie werkingsprincipes relevant: een lager gehalte ammonium (NH4+ = TAN), een lagere pH of een lagere viscositeit.
  • Om dit te bereiken zijn er verschillende mogelijkheden. 
  • Zo kan de productie van RENURE uit het digestaat een goede maatregel zijn. Hierbij zijn zowel strippen-scrubben (ammoniumzouten) als omgekeerde osmose (mineralenconcentraat) effectieve manieren, echter niet onder alle omstandigheden.
  • Met name is er bij 'strippen-scrubben' een groot risico wanneer het ammoniumzout op kalkhoudende gronden (24% van Nederland) wordt aangewend.
  • Naast het RENURE-product blijven ook de andere mestfracties (dikke en dunne mestfracties) van belang. Afhankelijk van de samenstelling en hoe deze wordt gebruikt vormen deze namelijk ook een risico op ammoniakemissie.
  • In de meeste gevallen is het nodig dat de meststof emissiearm wordt aangewend.
  • Voor een integrale oplossing voor klimaat, groen gas, stikstof, kringlopen en mestmarkt is monomestvergisting een grote kans, echter onder de voorwaarde dat het digestaat op de juiste manier wordt behandeld, bewerkt en/of aangewend.

Ammoniakemissie uit mest en digestaat

Bijna 90% van de ammoniakemissie (‘stikstof’) uit de landbouw komt uit mest. De helft komt uit de stallen (vloeren, mestopslag onder de roosters) en de andere helft vervluchtigt op de percelen. Mestaanwending is hierbij de grootste factor.


Ammoniakemissie uit de Nederlandse landbouw (emissieregistratie.nl)


Relatie mestvergisting en ammoniakemissie uit stallen

Vergisting vindt pas na de stal plaats en er is dus geen direct effect op de ammoniakemissie uit stallen. Wel is het zo dat verse mest meer biogas oplevert en op deze wijze ontstaat er een stimulans voor veehouders om zo vers mogelijke mest te leveren. Een bijkomend voordeel hiervan is dat ook de ammoniakemissie dan lager zal zijn.

Een relatief eenvoudige maatregel is om de mest wekelijks op te halen in plaats van dat deze langdurig in opslag gaat. Hoeveel dat bijdraagt aan een lagere ammoniakemissie is nog niet goed bekend. Het is wel duidelijk dat de ‘methaanpiek’ veel later plaatsvindt dan de ‘ammoniakpiek'. Het hogere biogaseffect gaat daarom (en om andere redenen) niet gelijk op met de ammoniakreductie uit de stallen.

Een veehouder kan ook aanvullende maatregelen nemen, bijvoorbeeld ‘dagontmesting’ of – nog grotendeels in ontwikkeling – het conserveren van mest via additieven of aanzuren. Een groot aantal additieven (toevoegmiddelen) is er op de markt beschikbaar en van een aantal daarvan is inmiddels ook wetenschappelijk aangetoond dat ze een positief effect hebben op de emissies. Zie hiervoor bijvoorbeeld dit of dit artikel op onze website.

Aanzuren behoort ook tot deze soorten toevoegmiddelen. Mest is basisch van aard (pH is hoger dan die van water) en door deze aan te zuren zal er minder ammonium in de mest worden omgezet naar ammoniak. Naast chemisch aanzuren is er de laatste tijd veel aandacht voor het biologisch aanzuren.

Met chemisch aanzuren voeg je een zuur toe. In de praktijk blijkt er een grote bufferende werking te zijn waardoor dit pH-verlagende effect redelijk snel weer teniet wordt gedaan. Een goede monitoring en herhaalde dosering (met bijbehorende kosten) is een voorwaarde om effectief de ammoniakemissie op deze manier te verlagen.

Met biologisch aanzuren wordt een suiker- of zetmeelhoudend product toegevoegd waardoor de mest wordt gefermenteerd. Dit effect zal niet tijdelijk maar meer permanent kunnen zijn en bovendien leveren de toegevoegde producten ook biogas op. Momenteel lopen er enkele projecten om deze kans praktijkrijp te maken.

 

Digestaat in opslag

Na vergisting zal het digestaat (de mest na vergisting) meestal nog een tijd worden opgeslagen voordat het wordt gebruikt als meststof op het land. Bij een emissiearme opslag is zal de ammoniakemissie uit opslag hoe dan ook zeer beperkt zijn, maar wanneer digestaat bijvoorbeeld in een stal onder de roostervloer wordt opgeslagen is er wel degelijk een risico. Uit dit experiment, waarin emissie gedurende drie maanden werden gemeten, blijkt dat dit risico fors kan zijn: 47% meer ammoniak uit digestaat dan uit niet vergiste mest, en bij een dunne fractie was er zelfs 112% meer emissie.

 

Vergisten en ammoniakemissie bij het aanwenden

De rest van dit artikel gaat over de ammoniakemissie uit digestaat tijdens het mest aanwenden op de percelen.

De ammoniakemissie tijdens het uitrijden is zeer variabel en dit is onder andere afhankelijk van het weer, de grondsoort en de methode van aanwenden.
Om een voorbeeld te geven: als mest of digestaat met een bouwlandinjecteur ondergronds wordt aangewend, dan zal de emissie zeer beperkt zijn. Meestal wordt gerekend met een emissiefactor van 2% van de TAN. TAN staat voor Total Ammonia Nitrogen, dat is het gehalte aan anorganische (ammonium = NH4+) stikstof.  
Op grasland en beteelde (graan-) percelen is een bouwlandinjecteur technisch niet mogelijk omdat het gewas dan vernield wordt. Bij de beschikbare technieken is de emissie in de regel veel hoger. Bij bijvoorbeeld een zodenbemester op grasland rekent men meestal met een emissiefactor van 17% van de TAN, acht keer hoger dus.



Zodenbemester links en bouwlandinjecteur rechts


Eigenschappen digestaat van belang

Naast het weer, aanwendmethode e.d. is ook de samenstelling van de mest belangrijk. En hierbij is er een groot verschil tussen digestaat (= vergiste mest) en niet vergiste mest. Het gaat met name om de volgende factoren: 1) het TAN-gehalte, 2) de zuurgraad en 3) de viscositeit. Door mest te vergisten veranderen deze eigenschappen wezenlijk.

Het TAN-gehalte. Een hoger gehalte aan ammoniumstikstof (NH4+) betekent een hogere ammoniakemissie. Tijdens het vergistingsproces zetten bacteriën in de mest organische stof om in biogas. Ook stikstofhoudende verbindingen als eiwit worden hierbij afgebroken. Hierdoor wordt er organische gebonden stikstof omgezet in ammonium. De totale hoeveelheid stikstof blijft gelijk, maar het TAN-gehalte stijgt gemiddeld met meer dan de helft = hoger risico op ammoniakemissie.

De zuurgraad pH: hoe hoger de pH, hoe groter de kans op ammoniakemissie. Het ammonium (NH4+) staat in de mest in een evenwicht met ammoniak (NH3). Dit evenwicht is onder andere afhankelijk van de zuurgraad: bij een hogere pH verschuift het evenwicht richting ammoniak en blijft er minder ammonium in oplossing. Het ammoniak zal deels vervluchtigen en om een nieuw evenwicht te krijgen gaat dit proces van ammoniakemissie steeds door.
Door mest te vergisten stijgt de pH. Tijdens de vergisting worden organische zuren afgebroken en dat doet de pH stijgen. Ook de vorming van ammonium / ammoniak heeft een pH-verhogend effect. De pH stijgt met 0,5 tot 1 punt = hoger risico op ammoniakemissie.

De viscositeit. Viscositeit is een maat voor de stroperigheid. Bij een hogere viscositeit (stroperiger) zal de mest minder gemakkelijk in de grond binnendringen en is er meer ammoniakemissie. Zeer dunne meststromen, bijvoorbeeld urine of dunne fracties, zijn weinig viskeus en dringen juist heel gemakkelijk de grond in. Een hoger drogestofgehalte geeft in de regel een hogere viscositeit, en rundveedrijfmest is meestal veel viskeuzer dan varkensdrijfmest.
Door de vergisting daalt de viscositeit: digestaat is dunner / minder stroperig dan niet vergiste mest. De bacteriën breken organische stof af, de deeltjesgrootte worden kleiner en er is een lager drogestofgehalte. Ook het hogere TAN-gehalte maken het digestaat minder viskeus. Daarbij is digestaat in de regel homogener dan niet vergiste mest. Digestaat zal hierdoor sneller in de bodem indringen dan niet vergiste mest. Lagere viscositeit = lager risico op ammoniakemissie.



Indicatieve weergave samenstelling mest en digestaat o.b.v. verschillende onderzoeken

Kortom, van de drie benoemde factoren zijn er twee, het hogere TAN-gehalte en de hogere pH, die tot meer ammoniakemissie leiden, maar ook één, de lagere viscositeit, die dit kan beperken. Hoe pakt dat netto uit voor de ammoniakemissie?


Wat betekent dit voor de ammoniakemissie tijdens aanwenden?

In onderzoeken waar gemeten is, zijn de resultaten uiteenlopend. In de meeste onderzoeken bleek de ammoniakemissie tijdens aanwenden uit digestaat hoger dan uit niet vergiste mest. Zo maten Andersson et al. (2023) (tarwe op kleigrond) een emissie van respectievelijk 32,4% en 28,7% van de TAN bij digestaat en niet vergiste mest. De ammoniakemissie was na vergisting dus 13% hoger.
In veel andere onderzoeken werden vergelijkbare verschillen gevonden, echter dat was niet altijd het geval. Soms waren verschillen veel groter, soms was er amper verschil en in een enkel geval gaf digestaat juist een lagere emissie dan niet vergiste mest. Andere factoren als het weer (temperatuur, luchtvochtigheid), de samenstelling van het digestaat, de grondsoort en de methode van aanwending bepalen dus het netto effect of er meer of juist minder ammoniakemissie is.

Pedersen en Hafner (2023) hebben op basis van zestien wetenschappelijke publicaties en praktijkdata modelmatig een voorspelling gedaan onder Deense omstandigheden. Hieruit blijkt dat digestaat gemiddeld meer ammoniakemissie geeft. Onder bepaalde omstandigheden loopt dit fors op tot een meer dan 50% hogere emissie, maar in andere scenario’s is dat niet het geval.

Berekende ammoniakemissie tijdens aanwenden uit het onderzoek van Pedersen en Hafner, 2023. EF = Emissiefactor, berekend als het percentage van de TAN dat vervluchtigt tijdens de aanwending met een zodenbemester.  
 - Rode lijn: melkveedrijfmest (6,5% droge stof, pH 7,0);
 - Lichtgroene lijn: varkensdrijfmest (3,9 % d.s., pH 7,2);
 - Donkergroene lijn: digestaat A (5,9% d.s., pH 7,9);
 - Blauwe lijn: digestaat B (7,2% d.s., pH 8,0);
 - Roze lijn: digestaat C (3,9% d.s. pH 8,0).


De grafiek laat zien dat de verschillen groot kunnen zijn. Rundveedrijfmest geeft volgens deze berekeningen meer emissie dan varkensmest, waarbij het verschil groter wordt later in het seizoen wanneer de temperaturen oplopen. De hoge viscositeit van rundveedrijfmest zou debet kunnen zijn aan dit verschil in de loop van het groeiseizoen.
Niet alleen tussen niet vergiste mest en digestaat, maar ook tussen de drie soorten digestaat zijn de verschillen groot. Dit wordt vooral geweten aan het verschil in drogestofgehalte. Bij een hoger drogestofgehalte zijn zowel de viscositeit als het TAN-gehalte ongunstiger.

Als er een trend is naar steeds hogere drogestofgehaltes in het digestaat, wat in Denemarken het geval is (omdat uit drogere feedstock nu eenmaal meer biogas gewonnen kan worden), dan zal hierdoor de ammoniakemissie dus verder toenemen.

 

Effect bewerking digestaat

Het is dus onterecht dat monomestvergisting als een stikstofoplossing wordt gezien, tenminste als er niets extra gebeurt. De ammoniakemissie is immers meestal juist hoger dan uit niet vergiste mest.
Is er dan toch geen manier om ammoniakemissie uit het digestaat te voorkomen? Het antwoord is ja: die oplossingen zijn er. Naast een zo emissiearm mogelijke opslag en aanwending (hetgeen op grasland zijn grenzen kent) is het behandelen van het digestaat kansrijk. In dat geval moet naar dezelfde factoren worden gekeken:

  1. Verlaag het TAN-gehalte
  2. Verlaag de pH
  3. Verlaag de viscositeit

Als monomestvergisting als stikstofoplossing wordt geclaimd, dan moeten de bedrijven bereid zijn te investeren in en eventueel kosten te maken voor één van de hier onderstaande oplossingen.

1. Het TAN-gehalte verlagen

Het verlagen van het gehalte ammonium in het digestaat kan op twee manieren: door de mest te verdunnen, of door het ammonium (TAN) uit het digestaat te halen.

 

Water toevoegen / verdunnen

Door mest te verdunnen met water zal het gehalte aan ammonium lager worden. Hierdoor blijft het ammonium beter in oplossing en zal er minder vervluchtigen. Specifiek voor digestaat hebben we geen onderzoeksgegevens m.b.t. mest verdunnen gevonden, maar voor niet vergiste mest wel. De resultaten blijken wisselend te zijn. Uit dit artikel bleek het op klei- en veengrond een zeer effectieve maatregel, met een reductie van maar liefst 40%. Echter, in een ander onderzoek op zandgrond was de variatie groot en werden er juist geen significante verschillen gevonden. Blijkbaar zijn er ook hier factoren die de werking beïnvloeden. Eentje ervan, die in beide artikelen worden benoemd, is dat er met verdunde mest een aanzienlijk groter volume moet worden aangewend. Hierdoor is het gevaar van niet goed injecteren (overlopende sleufjes) reëel. Dat leek overigens niet de verklaring te zijn bij de experimenten op zandgrond.


Het belang van ‘netjes werken’ is erg belangrijk om ammoniakverliezen te voorkomen. Afbeeldingen komen uit Bemest op z’n Best. In dit project zijn veel interessante adviezen ontwikkeld en innovaties ondersteund om tot lagere ammoniakemissie tijdens het mest uitrijden te komen.

Strippen of anderszins het ammoniumgehalte in het digestaat verlagen

Naast door mest te verdunnen kan de TAN ook worden verlaagd door het ammonium uit het digestaat te verwijderen.

De meest gebruikte techniek is de zogenaamde stikstofstripper (ook wel 'strippen-scrubben' of ‘stikstofkraker’ genoemd).
In dit systeem laat men in een gesloten omgeving zo veel mogelijk ammoniak uit de mest ontsnappen (strippen), waarna dit vervolgens in een luchtwasser weer wordt afgevangen (gescrubd). Dit doet men door het in contact te brengen met een zuur. Het eindproduct is een ammoniumzout: als zwavelzuur wordt gebruikt is dat ammoniumsulfaat, bij salpeterzuur is het ammoniumnitraat, enzovoorts.
De combinatie met vergisting is gunstig voor het strippen vanwege drie redenen: het TAN-gehalte is hoger, de pH is hoger en de temperatuur is hoger. Hierdoor kan er gemakkelijker en meer ammoniak uit het digestaat worden gestript in vergelijking met niet vergiste mest. Om het strippen verder te vergemakkelijken worden soms de pH (door natronloog toe te voegen) en/of de temperatuur verhoogd.

In de meeste situaties wordt het digestaat eerst gescheiden in een dikke en dunne fractie. In dat geval ontstaan er drie mestfracties: een dikke fractie, een gestripte dunne fractie en een ammoniumzout. Er zijn ook systemen waar deze mechanische scheiding vooraf niet nodig is, en dan ontstaan een gestript digestaat en een ammoniumzout.

Ammoniumzout
Het ammoniumzout kan prima emissiearm worden aangewend met bijvoorbeeld een spaakwielbemester. Uit recent onderzoek blijkt dat het emissiearm aanwenden ook nodig is, en in het bijzonder geldt dat voor de kalkrijke gronden: hier is dit namelijk een zeer emissiegevoelige meststof, zoals de onderstaande figuur laat zien. 24% van Nederland bestaat uit kalkrijke gronden. Op andere grondsoorten is de emissie fors lager.



Ammoniakemissie uit circulaire meststoffen, gemeten in een experiment met potproeven van het onderzoeksproject PPS KNAP (het rapport is nog niet gepubliceerd). In alle behandelingen werden de potten bemest met omgerekend 100 kg N/ha. Bovenste grafiek: zandgrond, onderste grafiek: kleigrond.
De meststoffen werden op het experiment op zandgrond alleen bovengronds aangewend en op de kleigrond is de vergelijking gemaakt met ‘incorporated’; 'incorporated' hield in dat de meststof in de pot met een laagje aarde werd bedekt.
N.B. de schaalverdeling is bij de twee grafieken geheel verschillend!

De emissie is op de kalkhoudende grond bij alle meststoffen hoger dan op de zandgrond. Met name bij ammoniumsulfaat was het verschil extreem groot: op de zandgrond bleek het een emissiearme meststof te zijn, op de kleigrond was het juist de meststof met de allerhoogste emissie.
Verder is opvallend dat in dit experiment het ammoniumsulfaat (met een hoge pH van 7,6) op beide grondsoorten een fors hogere ammoniakemissie had dan mineralenconcentraat (met pH 7,5). 


Dunne fractie:
De dunne fractie is, afhankelijk van hoeveel ammonium er uit is gestript, wel of geen emissiearme meststof. Als er veel stikstof uit is gestript en het TAN-gehalte voldoende laag is, dan is dit – ondanks de hoge en soms nog extra verhoogde pH – een emissiearme meststof. Echter, als er maar weinig stikstof uit is gestript, bijvoorbeeld om kosten te besparen, dan is de meststof wel degelijk gevoelig voor emissies uit opslag en tijdens aanwenden.
Het ontbreekt aan kwantitatieve gegevens uit onderzoeken om een uitspraak te doen over dit risico. Uit de praktijk komen echter signalen dat dit een reëel aandachtspunt is.

 

Dikke fractie:
Mestscheiding vindt voor het strippen plaats, en ook de dikke fractie bevat ammonium en dus is er hier een risico op ammoniakemissie. Dit gaat overigens om een beperkt deel van de totale anorganische stikstof.

Het risico op ammoniakemissie is afhankelijk van wat er met de dikke fractie gebeurt:
Als deze bovengronds op grasland wordt aangewend dan is dit niet emissiearm en zal het ammonium grotendeels vervluchtigen (74% van de TAN volgens dit rapport). Als de dikke fractie op onbeteeld bouwland direct na bemesting wordt ondergewerkt, dan is de emissie naar verwachting minder dan 10% van de TAN, heel laag dus.

Wanneer de dikke fractie wordt geëxporteerd, dan is er natuurlijk geen sprake van ammoniakemissie op de betreffende locatie, en hetzelfde geldt als de dikke fractie verder wordt verwerkt (drogen, composteren e.d.).

Een derde mogelijkheid die in de praktijk ook plaatsvindt is dat de dikke fractie als boxenvulling in stallen wordt gebruikt. In dat geval vindt er wel weer ammoniakemissie plaats, volgens dit rapport (blz. 24) zou dat maar liefst 6 kg NH3 per dierplaats per jaar bedragen.


Voorbeeld van verdeling stikstof na mechanische scheiding van digestaat in dikke en dunne fractie. De vaste fractie kan een bron zijn van ammoniakemissie, het gaat echter maar om een beperkt deel van de anorganische stikstof. 


Scenarioberekening totale emissie bij mestaanwending
De onderstaande tabel geeft resultaten weer van berekeningen voor een praktijkcasus met monomestvergisting van een groep melkveehouders (deze link). In deze casus wordt het digestaat niet gescheiden en zijn er dus geen dikke en dunne fracties maar alleen ‘gestript digestaat’ en een ammoniumzout. Het strippen-scrubben van ammoniak uit het digestaat reduceert de ammoniakemissie met 45% ten opzichte van niet vergiste mest en met 66% ten opzichte van digestaat.


Berekende ammoniakemissie bij aanwenden mest en digestaat. In scenario 3, 4 en 5 wordt ammoniak uit het digestaat gestript. In deze scenario’s bevat het gestripte digestaat nog 1,3 kg NH4+-N per ton.

Innovaties
Naast de stikstofstrippers zijn er enkele andere kansrijke technieken in ontwikkeling.
Eén ervan is elektrodialyse. Dit is een elektrochemische scheiding waarmee ionen (geladen deeltjes als ammonium) uit de vloeistof worden afgezonderd.
Een andere innovatie is om via een biologisch proces (nitrificatie) het ammonium om te zetten in nitraat. In dat geval zou ongeveer de helft van het ammonium worden genitrificeerd.
Ze hebben de potentie om met aanmerkelijk minder kosten, energie en hulpstoffen en met hoge scheidingsrendementen schone, hoogwaardige meststoffen te produceren. Beide technieken worden momenteel op praktijkschaal getest.

 

2. De zuurgraad (pH) verlagen

In mest of digestaat staat ammoniak in evenwicht met ammonium. Bij een hogere pH verschuift dit evenwicht richting ammoniak. Aangezien het ammoniak deels vervluchtigt zal er steeds een nieuw evenwicht worden gezocht en de omzetting en daarmee emissie steeds doorgaan. Door de pH voldoende te verlagen kan dit worden voorkomen en blijft de stikstof als ammonium in de mest of het digestaat. Reeds bij een pH beneden de 7.0 (de pH van water) daalt de emissie zeer sterk. Meestal wordt aanzuren tot een pH van beneden de 6.0 aanbevolen. Uit een analyse door het Deense bedrijf BioCover van 27 onderzoeken met ruim 60 veldexperimenten in de periode 2010-2024 (deze link) blijkt dat de ammoniakemissie ten opzichte van niet aangezuurde mest met 50% tot 95% reduceert. Het gebruik van zuur varieerde hierbij tussen de 2,7 en 4,4 liter per kuub mest en de nagestreefde pH was steeds tussen de 5,5 en 6,0. Ook andere omstandigheden als het weer e.d. zullen in al deze experimenten flink verschillend zijn geweest.

Specifiek voor digestaat hebben Andersson et al. (2023) een groot effect gemeten. Voor digestaat en dunne fractie uit digestaat was de reductie door aanzuren respectievelijk 85% en 88%.

Het verlagen van de pH van het digestaat tijdens het aanwenden is dus een effectieve manier om ammoniakemissie op dat moment fors te verlagen.

Biologisch aanzuren in de mestkelder heeft wel een positief effect op de ammoniakemissie in de mestopslag, maar niet op die van het digestaat tijdens het mest uitrijden. Tijdens de vergisting stijgt de pH namelijk weer.

 

3. De viscositeit verlagen

Het derde principe om emissie te verlagen is om de viscositeit te verlagen. Via filtratie ontstaan zeer dunne meststromen en deze dringen veel sneller de grond in dan normale mest of digestaat. Mineralenconcentraat is een bekend voorbeeld van zo’n zeer dunne meststof.

Op zich zijn dunne gefilterde mestfracties gevoelig voor ammoniakuitstoot door de hoge pH en het hoge TAN-gehalte, en het is daarom van belang dat deze emissiearm wordt opgeslagen. Echter, tijdens het aanwenden zal de meststof snel de bodem indringen en op dat moment juist minder ammoniakemissie opleveren dan niet gescheiden digestaat. Dit is vergelijkbaar met urine van koeien in de wei. De urine zelf is zeer gevoelig, maar omdat het snel de grond indringt is er toch maar weinig emissie.

In 2010 zijn experimenten uitgevoerd naar mineralenconcentraat en die lieten zien dat de emissie meer dan de helft lager was. (blz. 52 in dit engelstalige rapport).

Recent onderzoek uit het project PPS Nitrinure (het rapport is nog niet verschenen) bevestigt dit, zoals de onderstaande figuur laat zien: waar uit rundveedrijfmest 18,3% van de TAN vervluchtigde als ammoniak was dat bij urine uit de CowToilet maar liefst 85% lager. Ook het verschil tussen digestaat (19,1%) en dunne fractie van digestaat (9,6%) bevestigde het belang van een lage viscositeit voor een lage ammoniakemissie.


Ammoniakemissie uit diverse mestsoorten als percentage van de TAN (= ammoniumstikstof) in de meststof (bron: PPS Nitrinure).

 

Conclusies:

  • Maatregelen op veehouderijbedrijven voor een hogere biogasopbrengst uit mest hebben indirect als bijvangst een lagere ammoniakemissie uit de stallen. 
  • Digestaat is een meststof met een hoger risico op ammoniakemissie uit de opslag, door het hogere gehalte ammonium-stikstof (de TAN) en de hogere pH.
  • Ook tijdens het aanwenden op het land is de emissie gemiddeld hoger.
  • Enkel mestvergisting kan daarom niet worden gezien als een stikstofoplossing.
  • Door het digestaat op de juiste manier te behandelen kan het juist wel een stikstofoplossing zijn. Hierbij zijn er verschillende mogelijkheden die tot het gewenste resultaat kunnen leiden:
    • Aanwenden op bouwland met een bouwlandinjecteur.
    • Het verlagen van het gehalte aan ammonium door het digestaat te verdunnen, door stikstof uit het digestaat te strippen of met een andere innovatieve manier het TAN-gehalte verlagen.
    • het aanzuren van het digestaat.
    • het verlagen van de viscositeit: dunne meststromen dringen snel de bodem in en reduceren daarmee de emissie tijdens aanwending aanzienlijk.
  • Als er meerdere mestfracties ontstaan bij de bewerking van het digestaat (bijvoorbeeld dikke fractie, dunne fractie en ammoniumsulfaat) is het van belang dat van al deze fracties de risico’s in beeld zijn en er gericht wordt gewerkt om de emissies zo laag mogelijk te houden. Deze risico’s verschillen sterk per meststof en per grondsoort.

Met dank aan Inge Regelink en Rachel Renes van Wageningen Research voor het beschikbaar stellen van recente onderzoeksresultaten.

Hoe zit het met monomestvergisting en stikstof?
Auteur: Jan Roefs
Publicatie: 08-04-2026